
Eten en drinken is al altijd belangrijk geweest. In het Romeinse tijdperk werd er op braspartijen vaak à volonté gegeten, gezopen en gedanst. De tijden zijn merkelijk weinig veranderd. Alleen het materiaal waaruit voedsel en drank geconsumeerd wordt, is drastisch veranderd. Als er nu feesten georganiseerd worden, drinken de genodigden vaak uit glazen of plastieken drinkbekers. In de tijd van de Romeinen daarentegen was het vaatwerk vervaardigd uit gebakken aarde. De rijkere klasse kon het zich veroorloven koperen of bronzen potten, kannen en bekers te gebruiken. De gewone man dronk uit drinkbekers in aardewerk, waar uiteraard niets verkeerd mee was.
Borden, schaaltjes en bekers waren soms heel primitief vervaardigd, maar bij sommige gezinnen doken er geregeld drinkbekers met versiering in reliëf op. Aardewerk omvat alles van vaatwerk dat gebakken is uit klei. Deze klei werd aanvankelijk uit rivierbodems gewonnen, daarna gedroogd en tenslotte gebakken tot een voorwerp in aardewerk, zoals een drinkbeker. Veel mensen vergelijken aardewerk met porcelein, terwijl de samenstelling nogal uiteenlopend is. Bij porcelein bijvoorbeeld wordt er veldspaat en porceleinaarde gebruikt, wat bij aarden objecten niet het geval is. Drinkbekers in aardewerk worden meer en meer gezocht op vlooienmarkten, omdat ze toch voor een deel authentieke sfeer in huis oproepen.